In de afgelopen jaren heb ik me gemengd in discussies over de bruikbaarheid van het begrip leefstijl. Gemeenten, corporaties en ontwikkelaars vonden de leefstijlenbenadering bruikbaar omdat het meer zicht geeft op woonwensen dan mogelijk is op basis van de harde indicatoren huishouden, leeftijd en inkomen. Kwalitatieve, zachte factoren als stijl, beleving en waarden zijn belangrijker geworden. Maar wat is precies de betekenis van leefstijlen voor nieuwe en te herstructureren woonmilieus? In mijn artikelen stond ik stil bij een bredere manier om een relatie te leggen tussen leefstijlen en woonmilieus. Als men leefstijlen serieus wil nemen, is meer aandacht nodig voor wat mensen feitelijk doen, voor de relatief vaste patronen waarop mensen het dagelijks leven organiseren. Het thema leefstijlen werd voor het eerst uitgebreid belicht in het door mij redigeerde themanummer van S&RO (06/2002) en in 2010 in mijn artikel ‘Van homogene woonvlekken tot geelgroene flats. De fragiele relatie tussen leefstijlen en woonmilieus’, in: ‘De alledaagse en de geplande stad. Over identiteit, plek en thuis’ (2010, SUN Trancity) onder redactie van Arnold Reijndorp en Leeke Reinders.

S&RO Leefstijlenalledaags en gepland